Inleiding Kleine landschapselementen vormen belangrijke dragers van landschapswaarden en van biodiversiteit. Zoals de naam het zegt, gaat het om kleinschalige landschapsstructuren: een bomenrij, een heg, een drinkpoel... Beleidsmatig is dit bij uitstek een gemeentelijke taak. De juridische kaders worden gevormd door de ruimtelijke ordening, het natuurbehoud en de landschapszorg. De gemeenten kunnen ook vanuit hun eigen autonome bevoegdheid een stimuleringsbeleid voeren om kleine landschapselementen opnieuw een belangrijkere plaats te geven in ons landschap.1. Achtergrond 1.1. Belang van kleine landschapselementen Naar het belang van kleine landschapselementen is heel wat onderzoek verricht. Talrijke publicaties vormen daar de neerslag van. In hoofdlijnen kan het belang van kleine landschapselementen als volgt omschreven worden: Het zijn ‘natuureilandjes' in het cultuurlandschap. Heel wat planten en dieren vinden er een laatste toevluchtsoord. Roofvogels vinden nestgelegenheid en uitkijkmogelijkheid in een hoge boom; bosplanten overleven onder in een dichte heg; libellen en amfibieën planten zich voort in een veedrinkpoel; ... Elk klein landschapselement kan met andere woorden beschouwd worden als een mini-natuurreservaatje. Ze doen dienst als natuurlijke verbindingen tussen afzonderlijke natuurgebieden. Lijnvormige kleine landschapselementen zoals heggen leveren corridors zodat dieren en planten die in het ene natuurgebied leven ook het andere natuurgebied kunnen bereiken; zo raken populaties van die soorten niet geïsoleerd van elkaar. Puntvormige kleine landschapselementen zoals poelen of kleine bosjes doen hetzelfde, maar dan als ‘stapstenen'. Ze bevorderen het ecologisch evenwicht. Ze herbergen een aantal diersoorten die plaag- soorten op landbouwgewassen kunnen bestrijden. Ze creëren een aangepast microklimaat. Hierdoor kunnen landbouwgewassen beter groeien en vindt het vee een schuilplaats tegen te sterke zon of regen. Op hellingen kunnen kleine landschapselementen erosie tegengaan. Waterlopen kunnen door aanplanting van heggen op de oeverzones gebufferd worden tegen aanvoer van meststoffen en beschermd worden tegen oeverafkalving. Ze dragen bij tot de schoonheid van landschappen en verhogen de belevingswaarde ervan bij recreanten. Hierbij moet wel gewezen worden op traditioneel open landschappen zoals polders, waar net het ontbreken van heggen en bomenrijen het specifieke karakter ervan bepaalt. Ze kunnen zich nabij (of zelfs op het terrein van) scholen bevinden en hebben een grote natuureducatieve waarde.
1.2. Het juridische statuut van kleine landschapselementen. Het juridisch statuut van kleine landschapselementen kan worden bepaald door de ruimtelijke ordening, de natuurbehoudswetgeving en de bescherming van landschappen. a) Het Decreet Ruimtelijke Ordening (1999) stelt dat een stedenbouwkundige vergunning nodig is voor het vellen van hoogstammige bomen die niet tot bos behoren. Hoogstammige bomen meten minstens één meter omtrek, op één meter hoogte. De bepaling slaat op solitaire bomen maar ook op bomenrijen en dreven. Het dempen van een veedrinkpoel maar ook het graven ervan wordt als een aanzienlijke reliëfwijziging beschouwd waarvoor eveneens een stedenbouwkundige vergunning is vereist. b) Het Decreet Natuurbehoud (1997) omvat een ingewikkelde regeling ter bescherming van kleine landschapselementen. In ‘groene' gebieden op de gewestplannen is het verboden om holle wegen, graften, begroeide taluds op een helling, bronnen en veedrinkpoelen te wijzigen. Dit verbod is evenwel niet absoluut. Er bestaan enkele algemene uitzonderingen op en de bevoegde Vlaamse minister kan ook een individuele afwijking toestaan. In ‘groene' en ‘groengele' gebieden op de gewestplannen is het wijzigen van KLE onderworpen aan een natuurvergunning. c) Het Decreet Natuurbehoud omvat ook enkele stimulerende maatregelen naar KLE. In de gebieden van het zogenaamde IVON (Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk) is een bijzondere regeling voorzien voor KLE. d) De vroegere Natuurbehoudswet (1973) is grotendeels opgeheven door het Decreet Natuurbehoud maar had al in 1984 aanleiding gegeven tot een uitvoeringsbesluit gericht op het natuurvriendelijk beheer van wegbermen. Dit besluit is nog steeds van toepassing. Het heeft op heel wat plaatsen tot positief resultaat geleid. e) Het Landschappendecreet (1996) laat toe dat bepaalde waardevolle landschappen worden beschermd, waardoor ze een bijzonder statuut genieten. Eigenaars en andere beheerders moeten instandhoudings- en onderhoudswerken uitvoeren. Dit slaat o.a. op de aanwezige lijn- en puntvormige kleine landschapselementen. Bovendien mag het landschap niet ontsierd, beschadigd of vernield worden. Een uitvoeringsbesluit geeft aan wat dit betekent op het vlak van kleine landschapselementen. Daarnaast worden de gemeenten door de Samenwerkingsovereenkomst tussen het Vlaams gewest en de gemeenten gestimuleerd tot het behoud, de bescherming en de uitbreiding van kleine landschapselementen
f) De Samenwerkingsovereenkomst 2005-2007 verplicht gemeenten die hebben ingetekend op niveau 1 of niveau 2 van de cluster natuurlijke entiteiten om één, respectievelijk twee acties uit te voeren. Een gemeente kan hiervoor subsidies ontvangen indien de actie past binnen de niet-limitatieve lijst van acties die in aanmerking komen voor subsidie. Acties rond KLE's zijn zeker mogelijk: in groep 2 gaat het om acties gericht op het natuurgericht beheer van lijnvormige elementen (bv. bermen) en kleine landschapselementen. In groep 4 gaat het om acties gericht op het behoud van cultuurhistorische waarden en de verbetering van het landschapsbeeld. Ook hier is sprake van KLE. g) Een ander interessant instrument zijn de mina-werkers (binnen de Samenwerkingsovereenkomst) en groenjobs (buiten de Samenwerkingsovereenkomst). Gemeenten kunnen op sociale economie-bedrijven beroep doen voor het uitvoeren van natuur- en bosbeheer. De aanleg én het onderhoud van KLE past hier perfect in. Bron: Tandem, Milieu- en natuurverenigingen voor duurzaam lokaal milieubeleid.
|