Boutersem 2004, 3.074 ha groot en + 7.550 inwoners, is het product van drie fusies. Bij de eerste in 1964 werd Boutersem en Vertrijk verenigd, in 1970 werd het uitgebreid met Kerkom en Roosbeek, en tenslotte, op 1 januari 1977, werden de deelgemeenten Willebringen en Neervelp uit de fusiegemeente Honsem eraan toegevoegd.
Hoe zijn nu al die dorpen ontstaan en aan hun naam geraakt ? Vooreerst dient er opgemerkt dat al de “heim?-namen een uitvloeisel zijn van de Frankische landname (406 – 843) en dat men ze het meest aantreft daar waar men Romeinse nederzettingen heeft gekend.
- Boutersem : "Baltersem? in 1125 of het “heem van Balder?
- Kerkom : “Kerkehem? in 1212 of het “heem bij de kerk? in de betekenis van “woonst gelegen bij de kerk?
- Willebringen : “Willebrengem? in 1156 of het “heem van de afstammelingen van Willebrecht of Willebrord?
Verder hebben of hadden we nog :
- Honsem : “Honsheim? in 1265, volgens sommigen het “heem van de hond?, volgens anderen het “heem van Hondo?
- Redingen : of het “heem van de afstammelingen van Rado?
- Koutem : of het “heem op de kouter? (komt van het Latijnse woord “cultura? om bebouwd land aan te duiden)
- Kolem : of het “heem waar men houtskool bereidde of turf stak?
- Dalem : of het “heem van het dal"
Laten we nu het ontstaan van elke deelgemeente afzonderlijk van nabij beschouwen. Onze parochies die nochtans deel uitmaakten van de noordelijke grens van het graafschap Brunengeruz, werden niet vermeld in een document dat steunt op gegevens uit het jaar 1036. Dit spruit ongetwijfeld voort uit het feit dat de hier gevestigde “heems? ofwel afhingen van een kloostergemeenschap, ofwel rechtstreeks onder het gezag stonden, eerst van de keizers, vervolgens van hertogen en tenslotte van de prins-bisschoppen van Luik. Zij werden uitgebaat door pachters die cijnsplichtig waren tegenover hen. Het is pas na het gewapenderhand in bezit nemen van dat graafschap door de graaf van Leuven in 1013 dat onze parochies uit de onbekendheid zijn getreden.
BOUTERSEMDe graven van Leuven moeten, nadat zij hier in een weide of “sale?, of een vochtige laagte of “sâl?, aan een kleine heuvel of “buts?, vanwaar waarschijnlijk de naam Butsel, een versterking hadden opgericht die het kruispunt van de Romeinse weg van Tienen naar Leuven met de Velpe beheerste, als laatste wachtpost voor de hoofdplaats van het graafschap, die burcht samen met de nabijgelegen nederzettingen en met het del van Vertrijk, belegen aan de linkeroever van de Velpe, geschonken hebben, misschien aan één van hun verwanten, alleszins aan één van hun naaste medewerkers die hen hadden bijgestaan bij de verovering van het graafschap Brunengeruz. Dit gebied kreeg de benaming “Baltersem?, ofwel naar de bezitter op het ogenblik van de verovering, namelijk prins-bisschop Balderik van Luik, maar meer waarschijnlijk naar graaf Lambrecht II Balderik, zoon van Lambrecht I, die regeerde van 1040 tot 1063. Alleen Boutersem met Hoogbutsel had een “allodiale status?, hetgeen wil zeggen dat de heer er het volledige eigendomsrecht bezat. De rest van de huidige gemeente Boutersem werd in verschillende lenen of onderlenen gehouden van de hertogen van Brabant. De “Baltersem’s? waren dus een stuk beter gegoed dan de andere dorpsheren die zich met een “feodum? of leengoed moesten tevreden stellen.
KERKOMKerkom maakte samen met Kumtich, Roosbeek en Meensel deel uit van een domein dat omstreeks 840 door Lodewijk I de Vrome, zoon van Karel de Grote, geschonken werd aan de abdij van Cornelimunster of van Inde in de omgeving van Aken. Zusters van de Orde der Cisterciënzers, later van “La Ramée? genoemd, kregen van die abdij een aanzienlijk leen in Kerkom waarop zij een klooster oprichtten met kerk en nabijgelegen graanschuur. Toen de graven van Leuven Brunengeruz in bezit namen, eigenden zij zich ook de voogdij over de kloostergemeenschap toe. Op grond hiervan gaven zij het domein in kwestie in onderpacht aan één van hun trouwe vazallen, die dan van “Kerchem? genoemd werd. Vervolgens ontstonden in Kerkom, onafhankelijk van de rechten van de abdij van Cornelimunster, naast het “leenhof van Kerkom?, nog andere cijnshoven waarvan de voornaamste “Bijvoorde? en “Velphoven?.
VERTRIJKDe oudste akte waarin Vertrijk wordt vernoemd is een pauselijke bul uit het jaar 1151. Het gedeelte op de rechteroever van de Velpe was kerkelijk bezit, terwijl het gedeelte langs de linkeroever rechtstreeks onder het gezag stond van de prins-bisschop van Luik. Het kapittel van Sint-Lambertus te Luik, dat ondermeer de Koutem-hoeve uitbaatte, liet in de nabijheid van die hoeve een kerk oprichten en wel op de Scherpenberg die de linkeroever van de Velpe beheerste. En daar vindt vermoedelijk alle tot nog toe door de plaatsnaamkundigen gegeven verklaringen van het woord ten spijt, de naam Vertrijk zijn oorsprong. Inderdaad, de eerste schrijfwijzen van Vertrijk, namelijk Verteke – Vertike – Verteike – laten toe de verklaring hiervan te zoeken in het Latijnse woord “vertice? dat zowel een draaikolk, een maalstroom in de Velpe zou kunnen betekend hebben, maar hier meer dan waarschijnlijk op de kruin van een berg sloeg. “A vertice? wil immers zeggen “van boven af? en vandaar de berg zelf, in dit geval de Scherpenberg. Langs daar passeerde bovendien ook de eerste Romeinse heirbaan lopende langs de Oude Baan in Roosbeek, de Roosbeeksestraat, de Kerkweg en de Keizerstraat. Het gebied in kwestie werd met de instemming van de graaf van Leuven in onderleen gegeven aan een van zijn vazallen uit de familie der “van Rode’s?, die één van de zeven patriciërsgeslachten van Leuven hebben gevormd. Die leenman werd dan aangeduid met naam “van Vertike? of “van Verteke?. Nadat de heer “van Baltersem? rond 1100 tweederde van zijn allodium had afgestaan aan de abdij van Affligem, kwam daar ook nog het gedeelte op de linkeroever van de Velpe bij, met o.m. de loofort-hoeve. Vervolgens werd Vertrijk, dat van dan af voor de ene helft toebehoorde aan het kapittel van Sint-Lambertus te Luik en voor de andere helft aan de abdij van Affligem, onafhankelijk van de rechten van die kloostergemeenschappen, verbrokkeld in een aantal lenen zoals het “cijnshof van Loofort?, het hof “Ter Sluizen? of het latere “hof van Quaebeek? en ook de “van Redingen?, ook één van de zeven patriciërsgeslachten van Leuven, hielden er een pachthof in leen.
ROOSBEEKDe eerste schrijfwijzen waren Roscebeke (1224) en Rosebeke (1236) en zou kunnen voortspruiten uit de Salisch-Frankische vorm van “rietbeek?. Ten tijde van de Romeinse overheersing strekte zich in een groot deel van Roosbeek één groot moeras uit. Rond 840 werd het zoals Kerkom bezit van de abdij van Cornelimunster en kwam vervolgens, langs het kapittel van Sint-Lambertus te Luik, grotendeels in handen van de abdij van Villers.
WILLEBRINGENWillebringen en Honsem vormden eveneens kerkelijke goederen die in het bezit kwamen van de abdijen van Villers en van Park te Heverlee. De goederen van laatstgenoemde abdij werden door de hertog van Brabant in onderleen gegeven aan de monniken van de abdij van Vlierbeek. De bezittingen van de abdij van Villers waren in 1197 in handen van Hendrik, meier (of opzichter van een landhoeve) van Willebringen. In 1353 werd Willebringen door de hertog volledig verpacht als “warande? of jachtterrein.
NEERVELPNeervelp dankt evenals Opvelp zijn naam aan de rivier die aldaar ontspringt. De naam Felpa, oorspronkelijk Falw-apa of geelachtig water, zou van Germaanse oorsprong zijn. Reeds in 778 sprak men kerkelijk van “Felpa inferior? en “Felpa superior?, vanwaar de namen Neervelp en Opvelp. Het grootste gedeelte van Neervelp was trouwens kerkelijk bezit dat in handen kwam van kerkelijke gemeenschappen zoals de priorij van Bierbeek het noordelijk deel en de abdij van Villers het zuidelijk deel. Alleen in de heerlijkheid “Boutersem met Hoogbutsel? beschikte de heer over de rechtsmacht inzake civiele en kleine strafzaken die hij aan een eigen schepenbank toevertrouwde. Het recht van “lijf en let? of de rechtbank in criminele strafzaken hoorde toe aan de hertog. In Kerkom had men één van de vier schepenbanken van de meierij van Kumtich zelf een onderafdeling van de meierij van Tienen. Die schepenbank van Kerkom oefende er, onder leiding van de meier van Kumtich, namens de hertog de middele en lage rechtsmacht uit. Vertrijk, Roosbeek met Neerbutsel, Willebringen en Neervelp waren onderworpen aan de schepenbank van Kumtich. Die toestand eindigde pas rond 1562 toen de jurisdictie in de verschillende dorpen toevertrouwd werd aan de plaatselijke heren, die dan een eigen schepenbank – met aan het hoofd een meier – mochten installeren. Op 20 oktober 1650 werd Boutersem tot baronnie verheven, waardoor er een drossaard aan het hoofd van de schepenbank kwam, die tevens meier van Neerbutsel en Bijvoorde was. De Franse Republiek heeft in 1793 een einde gesteld aan het feodaal regime en de basis gelegd van het stelsel van het hedendaags gemeentebeleid. Boutersem is dan ook nog van 1793 tot 1800 de hoofdplaats geweest van het 30ste kanton van het Dyle-departement.
|